Exemplaren ‘Hardrijderijen in Friesland' voor nazaten hardrijders

Lemmer - HINDELOOPEN - In Hindeloopen werden op woensdag 8 oktober diverse eerste exemplaren van het boek ‘Hardrijderijen in Friesland. Volkscultuur op het ijs 1800-1900' uitgereikt door de schrijver Ron Couwenhoven. Dat gebeurde in, waar anders zou je kunnen zeggen, het Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen.

Hoewel het eerste exemplaar werd uitgereikt aan de Olympisch kampioen op de tien kilometer Jorrit Bergsma, volgden er meer zogenaamde ‘eerste exemplaren' aan de verschillende nazaten van de kanonnen op de korte baan uit de negentiende eeuw.
Gemeenschappelijke noemer van de ontvangers was dat hun ‘roots' allemaal teruggingen naar de voornamelijk kortebaan schaatsers waarvan velen beroepsschaatsers waren zonder de betekenis van de tijd van nu. En ook allemaal hebben zij hun royale medewerking gegeven bij het tot stand komen van dit toch wel standaardwerk over de hardrijderij in Friesland. Auteur Couwenhoven is zes jaar geleden begonnen aan dit boek naar aanleiding van een deelnemerslijst uit Leeuwarden waar 128 vrouwen aan meededen die alleen met voornaam en patroniem (naam van de vader) werden vermeld. Het is een waar monnikenwerk geweest dat de auteur heeft verricht. Hij heeft 3600 uitslagen opgespoord en meer dan 76.000 deelnemers achterhaald. Olympisch kampioen op de tien kilometer Jorrit Bergsma mocht het eerste exemplaar in ontvangst nemen omdat hij een nazaat is van de fameuze Kingmadynastie. Daarna mochten familieleden van andere 19e eeuwse schaatskampioenen een boek in ontvangst nemen, mede omdat zij royaal hebben meegewerkt aan de totstandkoming van dit boek. Dat waren onder andere Nanda Splinter-Pel uit Breda als achterkleindochter van Ulbe van Dijk, Sjouke de Jong uit Oppenhuizen als kleinzoon van Franke Annes de Jong en Jeen Wester uit Eernewoude, kleinzoon van Rinze Wester. Op de omslag staat onder andere Ulbe van Dijk afgebeeld en hij gold als de meest winnende schaatser van zijn eeuw. Ongeveer 98 prijzen wist Couwenhoven te achterhalen en de verdiensten die aan die eretitels hingen logen er niet om. De schatting is ongeveer 10.000 gulden in een tijd dat bijvoorbeeld een een half jaarsalaris hooguit 150 gulden bedroeg. Zo mocht Van Dijk bijvoorbeeld na winst van een hardrijderij in Leeuwarden kiezen tussen een klok of 150 gulden. Couwenhoven vertelt ook de anekdote van de zilveren tabaksdoos als eerste prijs bij een schaatswedstrijd uit 1803. In 1936 werd deze doos geschonken aan prins Bernhard en bij navraag aan het archief van het Koninklijk Huis bleek dit kleinood nog altijd in koninklijke handen te zijn hetgeen aan een van de toehoorders de opmerking ontlokte ,,Dus dat hat hy net ferkocht.'' Dat men al jong schaatste in die tijd bleek uit een wedstrijd in Sneek voor jongens van onder de 16 jaar. Er deden 142 jongens mee aan een wedstrijd die zelfs drie dagen duurde. De eerste prijs was een zilveren gemonteerde zweep. Kinderprijzen bestonden nog niet, wel een sigarenkistje voor de categorie 13-jarigen. Het forse, mooi uitgevoerde boek bevat maar liefst 700 beschrijvingen van Friese schaatsers met daarbij nog 160 deelnemerslijsten. Wat dat laatste betreft ging de dank van de auteur uit naar Hedman Bijlsma uit Drachten die al decennia lang geldt als een autoriteit op het gebied van schaatsen. Couwenhoven pretendeert niet volledig te zijn omdat het vooral na 1870 onmogelijk is alle uitslagen te achterhalen. Dat betekent dat het aantal wedstrijden aanzienlijk hoger was en het aantal deelnemers passeert royaal de grens van 100.000, zo schat de auteur. Uitslagen en wedstrijdaankondigingen werden tot 1876 achterhaald door Couwenhoven, ,,Daarna is de stortvloed van aankondigingen ontelbaar'', zo schrijft hij. Dat leverde in totaal 79.857 rijders en rijdsters op die in elk geval 183.389,75 gulden mochten verdelen.