‘Nee, dat kan Maarten toch niet al zijn?’

WORKUM Ruim een uur voordat Maarten van der Weijden door Workum zou komen, staat een echtpaar met een hond te wachten langs het water waar hij een deel van zijn monstertocht moet zwemmen.

‘Het is nog lang geen tijd,’zegt de man die met zijn vrouw uit Emmeloord komt. Vorig jaar waren ze er niet bij, dit jaar wilden ze dat wel heel graag. ‘Maar we hebben wel geld gegeven,’ voegt zij daaraan toe. Hun dochter had in de middag al gezien dat er in sommige steden geen doorkomen aan was. Daarom gingen ze extra vroeg. Maar nu is het wel extra lang wachten als ze de officiele doorkomsttijden moeten geloven. Op de opmerking dat het wel eens een stuk sneller zou kunnen zijn, kijken ze direct in de richting waar hij vandaan moet komen. Hij wil nog wel even kwijt dat hij het geweldig vindt wat Maarten doet, maar dat hij ook vindt dat de farmaceutische industrie eens flink aangepakt zou moeten worden. ‘Want de prijzen die zij vragen voor medicijnen, rijzen de pan uit. Dat werkt ook niet bepaald mee in de strijd. ’

Ondertussen weerklinkt overal muziek. Mensen stonden al overal, maar het lijkt steeds drukker te worden. En er weerklinkt muziek. Op de vraag aan een stel mannen op een zeiljacht of ze al iets zien, komt een Duits antwoord. En direct de uitnodiging om aan boord te komen. Zodat ik het zelf kan zien. Geweldig om er bovenop te zitten. De mannen zeilen en doen wedstrijden en komen net uit Makkum. Ze kwamen bij allerlei bruggen en begrepen niet waarom die gestremd waren. Toen hoorden ze van een man die langs alle 11 steden zwemt. Geweldig vinden ze, maar waarom eigenlijk? Op het antwoord dat hij geld bijeen zwemt voor onderzoek naar kanker verschijnt er een frons op het hoofd van 1 van hen. Hun schipper hebben ze 2 jaar geleden verloren aan die nare ziekte. Ze hebben getwijfeld of het deze keer wel door kon gaan, zonder hem. Maar ze zijn er toch. Misschien een teken opper ik? Hij knikt. En zegt dan dat het fantastisch is dat iemand dan zo’n prestatie levert. Maar ook dat iedereen wel met kanker wordt geconfronteerd.

Ondertussen komt een hele groep zwemmers aanzetten. De Duitse gastheren vragen of Maarten daar al bij zit. Nee, is mijn stellige antwoord. ‘Dat kan nog niet, veel te vroeg.’ Maar dan opeens ontwaar ik een heel ander kleur pak. ‘Oh ja wel, het is hem wel,’schreeuw ik naar de mannen. Die beginnen spontaan te klappen en te schreeuwen. In een flits is Maarten voorbij, zijn tempo lijkt niet bij te houden door de medezwemmers. Voor sommigen van hen lijkt het echt een enorme opgave zelfs. Maar ook zij kunnen rekenen op een daverend applaus. Niet alleen van de Duitse heren die ook nog vragen of ik een glaasje wijn lust, maar ook van al die hele lange rijen mensen die overal staan. Iemand schreeuwt dat ze het fantastisch doen en niet meer zover hoeven. Maarten lijkt al bijna in Bolsward te zijn, zo snel gaat hij....

Meintje Haringsma